Deze tekst wordt gepresenteerd bij wijze van uitnodiging aan kameraden om te bediscussiëren, nadat wij in gedachten dwaalden door de wereld van het opeisen en verklaren in het algemeen, en in de rechtbank in het bijzonder. Ten eerste om de eigen daden te onderstrepen, als die al uitleg behoeven, en vervolgens als antwoord of verweer wanneer men met de rug tegen de muur wordt gezet door het democratische apparaat. In overweging nemende dat er reeds meerdere bijdragen zijn geproduceerd over het onderwerp als opeisingen in het algemeen, maar in dit geval geven we er de voorkeur aan uitsluitend te refereren aan opeisingen die gemaakt zijn aan het adres van de wereld van justitie, zijn we ons ervan bewust dat we reeds beinvloedt kunnen zijn door de woorden van verschillende kameraden die eerder zijn uitgebracht, en proberen daarom eerder een ruimte voor hernieuwde overpeinzingen te openen.

Wanneer we onze reflectie laten gaan over verklaren of antwoord geven op de vragen van de rechtbank, trokken we daarmee eigenlijk het nut er uberhaupt van in twijfel. Soms hebben we het gevoel dat datgene wat we tegen elkaar te zeggen hebben, of datgene wat we wel en niet tegen de autoriteiten te zeggen hebben door elkaar gehaald wordt.

Het is overbodig om te benadrukken dat er een groot verschil bestaat tussen beiden: voor onze kameraden voelen we een zekere intimiteit en behoeven onze acties soms geen verdere uitleg; daar anderen zich kunnen herkennen in het gebaar dat ze maken, terwijl onze gevoelens jegens de wereld van overheersing en uitbuiting louter uit walging en wantrouwen bestaat, met wie we niet wensen onze zieleroerselen te delen of om in vertrouwen mee te spreken.

Maar wanneer bijvoorbeeld een motief voor het geven van uitleg angst is krediet en het respect en begrip van kameraden te verliezen, dan kan men een serieuze gevangenisstraf riskeren na het doen van een “eerlijke bekentenis”, de volledige verantwoordelijkheid op zich nemend, maar aan de andere kant kan het vrij komen met een grootse “akte van onschuld” (mogelijk dezelfde angst, maar dan voor de ijzeren tralies die ons het zicht ontnemen), ons eveneens geketend houden.

Beide zaken doen zich voor als consequenties van een legale communicatie met de veroordelers, en blijken hoofdzakelijk opofferingen; ze doen ons op z’n minst ongemakkelijk voelen.

We begrijpen en kennen de moeilijkheden van geconfronteerd worden met een situatie waar we verplicht worden tegenover iemand te staan die veronderstelt de volledige autoriteit te hebben over onze levens te beslissen –zijnde de rechter of welk ander instituut dan ook- maar we vrezen het niet. We geven er de voorkeur aan het te bevechten op onze voorwaarden.

De gevangenis, in elk facet van deze samenleving, en de verplichtte deelnamen in een rechtszaak om te beginnen, is een zichtbaar obstakel in onze horizon als anarchisten en rebellen die verlangen en handelen naar de aanval en verwoesting van deze maatschappij, om de vreugdes des levens te kunnen heroveren. Het bestaan ervan op zichzelf betoont gelijkertijd de inhoud en nood van onze strijd, ook vanuit egoistisch perspectief bezien omdat we zelf niet in die gevangenis willen belanden maar in staat blijven onze revolutionaire activiteiten te blijven voort zetten, en er juist uit te breken nog voor haar muren onze vrijheid omsluiten.

We vinden dat de passie voor vrijheid altijd de kern van het discours is en die kan zelfs enige houding van stoicisme jegens onze veroordelers gebruiken, terwijl we op hetzelfde moment onze harten openen voor de wereld van rebellen. De te bespreken zaken betreffen niet alleen onze veroordeling, ondanks wat onze veroordelers ons proberen te doen geloven. Die zaken hebben vleugels die de justitiële papieren van beschuldigingen en veroordelingen weg vegen.

Deze reflecties zijn precies en uitsluitend gedachten en vertwijfelingen; ze hebben niet het doel een recept te zijn voor hoe zich te gedragen in welke situatie dan ook of de beslissing van anderen te veroordelen, maar pogen ons te helpen de mogelijkheden die we hebben te begrijpen, en hoe we ze kunnen gebruiken.

Daarom zouden we graag willen benadrukken wie we zijn, waar dan ook, op elk tijdstip en hoe we hier vorm aan geven, vertrekkende vanuit de volgende suggesties:

1.Onze bedoelingen zijn Sociale Oorlog. In deze wereld van dwang en verstikking zien we alleen hoe daar uit te breken met barbarisme, gericht tegen allen die de teugels vasthouden en de zweep doen neerkomen. Deze bedoelingen veranderen in essentie niet afhankelijk van omgeving, zijnde de rechtbank, de gevangenis of de straat. Met andere woorden, de inhoud hangt niet af van de context.

2.We willen af van “onschuldigheid” aan de ene kant, en “opoffering” aan de andere kant, daar beiden niet meer zijn dan reproducties van legale/rechts taal en hebben ons niets te bieden dan schade, noch aan onze strijd om anarchie te leven.

3.Het enige discours dat we kunnen voeren wanneer we worden vervolgd zou niet verward moeten worden met het Zijn van de aanval. Aanvallen zijn immer geinitieerd door onszelf, op onze momenten, op onze plaatsen, tegen hen die wij uitkiezen en met welke wapens voor handen dan ook die wij geschikt achten. Aangezien we de rechtbank in gebracht worden onder de dwang van de autoriteiten, kunnen we slechts voortgaan met wie we zijn, ook daar.

We begrijpen dat een van de mogelijkheden die we hebben is te zwijgen jegens onze veroordelers. Deze stilte zou zelfs gebruikt kunnen worden als een wapen, dan zou niets zeggen alles kunnen betekenen. Dat houdt echter niet in dat we ons aan hen onderwerpen, het houdt alleen in dat we daar niets te zeggen hebben; we willen niet in dialoog te treden met een soort taalgebruik dat buiten ons om gaat en dat, zoals wij het zien, niets betekend.

“Ik heb het gedaan” zeggen, draagt niets bij aan onze strijd; en dan zou “ik heb het niet gedaan” nog minder zinnig zijn. In het eerste geval zal het uitsluitend dienen om ons te beschuldigen, omdat, tenzij we “op heterdaad betrapt zijn”, wie het wel of niet gedaan heeft niet interessant is – we hebben geen martelaren, die alle schuld op zich nemen, nodig; in het tweede geval voegt de uitleg dat we het niet hebben gedaan niets toe aan de zaak, tenzij het beeld dat we van onszelf willen verspreiden dat is van het zijn van brave jongens en meisjes, en dat we het slachtoffer zijn van onrecht.

Wanneer we ons inderdaad eenmaal in die operatiekamers bevinden waar ze pogen onze levens fysiek en psychisch te ontleden, onder het vergrootglas van de gretige specialistische toeschouwers, willen we onderstrepen dat we niet hoeven mee te werken aan onze eigen executie.

Onthoudt dat kameraden onder elkaar deze vragen nooit zouden stellen, of er een gewicht aan hangen zoals de Eerlijke Samenleving zal doen, omdat het enige wat het wil is ons doen hangen.

Nimmer zijn we geinteresseerd in het reproduceren van hun taal om ons uit te drukken. Er is geen noodzaak voor hen om te weten hoe we denken en ons voelen, een verklaring van onszelf is uitsluitend gericht aan onze kameraden buiten.

Wanneer bijvoorbeeld de gegeven beschuldiging onjuist is, wat een zeer pijnlijke en vervreemdende ervaring kan zijn, dan zouden we onszelf nog steeds de vraag kunnen stellen welk goed of profijt het ons zou brengen als we er iets van zouden ontkennen, als gehoor aan hun eis. Zij, die deze belachelijke beschuldigingen maken, hebben duidelijk geen idee waar we vandaan komen en waar we naartoe gaan. Maar zouden ze dat dan werkelijk, als we zouden proberen hen te corrigeren? Is het de moeite waard om hen uberhaupt iets uit te leggen? Ieder antwoord aan hen, die het zwaard boven ons hoofd houden, zou heel wel mogelijk diezelfde medewerking kunnen zijn aan onze eigen insluiting, maar bovendien is het tegelijkertijd een erkenning van het bestaan van de legalistische wereld en autoriteit; zelfs haar aanspreekbaarheid!

Hoe dan ook, indien de optie van praten het juiste lijkt om te doen, dan zou dit nooit een rechtvaardiging moeten zijn, aan niemand; we moeten slechts proberen voort te gaan met wie we zijn, zowel daar als op straat. Bovendien zou onze verklaring nooit gericht moeten zijn aan de rechtbank zelf, aangezien we geen vruchten zien komen van het aangaan van een dialoog met dit (of welk ander) instituut.

Maar wanneer men besloten heeft te spreken moeten we toch in overweging nemen dat dit het betreden van een behoorlijk nutteloze en gevaarlijke dialoog met de vijand, die getrained is om je te vangen in je eigen woorden, en ons de antwoorden doet geven die we niet willen geven, kan betekenen.

Wanneer de Bourgeois Samenleving inderdaad besloten heeft iemands categorie in een efficiënte wereld van constant prestige om te zetten, dan zal een ontkenning meestal niemand buiten de gevangenis houden; uiteindelijk zitten de gevangenissen overvol met “onschuldigen”. Dan is er ook geen reden om welke beschuldiging van hen dan ook te ontkennen. Buiten het feit dat de meeste rechters zelfs niet in de minste mate geinteresseerd zijn in wat we hen werkelijk te zeggen hebben, (net zomin als wij in wat zij ons te zeggen hebben, daar we reeds weten wat ze denken van mensen die hun tronen willen verwoesten) , behalve te bekennen en ons te onderwerpen aan de hamer en de weegschaal.

Mensen fysiek isoleren is een bijdehante methode om de aandacht af te leiden van het werkelijke probleem. Dat probleem gaat in essentie voorbij aan onze persoon die vervolgt wordt op dat moment, of het object dat aangevallen werd, hoewel beiden er schade van ondervinden . Dat probleem handelt over het bestaan van juist die rechtbank iedere dag, het vernederende concept van mensen zichzelf te laten rechtvaardigen ten overstaan van de samenleving, het hoofd te buigen, met het schaamrood op de kaken, maar bovenal handelt het over deze samenleving die de absolte vervreemding van de individuele vreugde van het leven in haar geheel behoeft en vraagt.

Begrijpelijk genoeg voelen mensen onder bedreiging de nodige behoefte gehoord te worden.

Maar wat is het eigenlijk dat gehoord moet worden?

Juist en precies OMDAT we Anarchisten zijn vallen we de autoriteit en het kapitaal aan; daarom is het niet verassend dat zij op een gegeven moment terug zullen slaan. We zouden ons constant bewust moeten zijn van deze mogelijkheid, zonder ons eraan te onderwerpen als ware het een onvermijdelijk aspect van het leven; maar zijnde de reden dat we niet kunnen noch willen gaan slapen.

Onder deze omstandigheden omhelzen we allen die altijd henzelf blijven, fier en vechtend, stelend en herrovend, plunderend en ontstekend, zonder hun geschiedenis glorieuzer of onschuldiger te maken dan die werkelijk was.

Anarchisten.

Advertenties