Door Wolfi Landstreicher

Introductie

Onderwerping aan overheersing wordt niet alleen, zelfs niet in de eerste plaats, afgedwongen door openlijke repressie, maar eerder door subtiele manipulaties die verweven zijn met de structuur van alledaagse sociale verhoudingen. Deze manipulaties – ingebed in de sociale structuur niet omdat overheersing overal en nergens is, maar omdat de instituties van overheersing regels, wetten, mores en gebruiken creëren die deze manipulaties opleggen – scheppen een logica van onderwerping, een vaak onbewuste neiging om overgave en volgzaamheid in je alledaagse verhoudingen in de wereld te rechtvaardigen. Hierom is het noodzakelijk voor degenen die serieus een anarchistisch opstandig project willen ontwikkelen, om deze neiging te confronteren waar hij ook opduikt – in hun levens, hun verhoudingen en de ideeën en praktijken van de strijden waaraan zij deelnemen. Zo een confrontatie is niet een kwestie van therapie, die zelf deel heeft aan de logica van onderwerping, maar van rebelse afwijzing.

Het vraagt om een omverwerping van het bestaande, een ontwikkeling van andere manieren om ons te verhouden tot onszelf, elkaar, de wereld en onze strijden, manieren die duidelijk onze vastberadenheid weerspiegelen om alle overheersing af te wijzen en om onze levens hier en nu terug te nemen. Ik heb het hier over een echte revolutie van alledag als de noodzakelijke basis voor een sociale revolutie tegen deze op overheersing en uitbuiting gebouwde beschaving. De volgende essays verschenen in Willful Disobedience als de serie “Against the Logic of Submission”. Natuurlijk is dit niet het laatste dat over dit vraagstuk geschreven zou kunnen worden, maar ik denk dat deze essays een basis bieden voor een discussie over hoe we onszelf, onze verhoudingen en onze strijd voor onszelf kunnen scheppen, tegen alle overheersing in.

Tegen de logica van onderwerping

Een onderscheidende factor van de anarchistische idee van revolutie is het belang van het individu in het maken van die revolutie. Hoewel collectivistische ideologie dit inzicht zelfs in de meeste anarchistische kringen heeft verslapt, openbaart het zich nog in keuzes als het afwijzen van stemmen en militaire dienst. Maar voor degenen die een opstandige praktijk willen ontwikkelen, moet dit inzicht veel verder gaan dan een paar onthoudingen.

Geen revolutionair anarchist ontkent de noodzaak van een grootschalige opstand van de uitgebuitenen om de staat, kapitaal en elk instituut van macht en privilege te vernietigen. Maar revolutie is geen geschenk uit de hemel of het gift van een abstracte Geschiedenis. Acties van individuen helpen de omstandigheden op te bouwen die opstanden doen gebeuren en kunnen ze in de richting duwen van algemene opstand.

Dit betekent dat het voor ons anarchisten logischer is om niet te wachten op de revolutie zoals sommige marxisten, historische tekens proberen te ontwaren om dan klaar te staan, maar om onszelf elk moment van ons leven als in opstand zijnde te beschouwen en deze sociale orde aan te vallen zonder ons zorgen te maken of  “de tijd rijp is” of niet. Individuele daden van revolte, die makkelijk te herhalen en te immiteren zijn, vormen de basis voor de ontwikkeling van vormen van massa-actie, waarin het individu niet verloren gaat en afvaardiging afwezig is – dat wil zeggen insurrectionaire actie die de huidige werkelijkheid kan vernietigen en de mogelijkheid kan geven een wereld te scheppen waarin elk individu alles binnen handbereik heeft om zichzelf volledig te kunnen verwerkelijken.

Even belangrijk als de anarchistische erkenning van de primaire plaats van het echte, levende individu (in tegenstelling tot het gecollectiviseerde tandwieltje in het raderwerk en het abstracte concept van het individu) is het inzicht dat we een bepaald soort wezen moeten worden, een wezen dat op onze eigen voorwaarden kan handelen om onze eigen verlangens en dromen te verwerkelijken, terwijl we de meest geduchte en machtige vijand in de ogen kijken: deze gehele beschaving – de staat, kapitaal, het technologisch systeem…

Leven als een rebel, als een zelfgekozen anarchistisch revolutionair, vraagt een hoop wilskracht, vastberadenheid en geest, in een wereld van somber stemmende krachtsverhoudingen. Daarom is een essentiëel aspect van het ontwikkelen van een opstandige praktijk de transformatie van jezelf in zo een geestesvol, wilsvol wezen. Zo een transformatie vindt niet plaats middels therapie, maar door het aanvallen van de sociale orde, zowel in haar verschijningen in de wereld, als in jezelf en je verhoudingen. Een onvermurwbare medogenloosheid zou wel eens essentiëel kunnen zijn voor deze taak, want er zijn zo veel kettingen te breken, zo veel grenzen te vernietigen. Zoals een kameraad zei, de individuele zoektocht is “de toe-eigening van alles dat hem was ontnomen door familie, school, instituties, rollen, zodat hij zijn specificiteit, totaliteit, universaliteit vond als iets dat verloren was… in het proces van domesticatie en de constructie van symbolische cultuur.” Dus het punt is om de beslissing te nemen om je hele leven in zijn totaliteit terug te nemen, een beslissing die net zo’n soort felheid van je vraagt als die felheid die nodig is om deze samenleving kapot te maken. En zo’n beslissing transformeert al je verhoudingen, want ze vraagt een duidelijkheid die geen ruimte laat voor onderwerping aan de eisen van sociaal protocol, disrespectvolle tolerantie of medelijden voor degenen die banger zijn voor de energie van ongetemd verlangen dan voor de onderdrukking ervan. Als je deze beslissing neemt (en de beslissing is pas echt genomen als je probeert hem te verwezenlijken), wijs je compleet de logica van onderwerping af, die de meeste verhoudingen overheerst.

Een projectueel leven

Een begrip van hoe de beslissing om in revolte te leven tegen de huidige realiteit zich verhoudt zich tot verlangen, verhoudingen, liefde en vriendschap vraagt een begrip van hoe zo een beslissing degenen transformeert die haar nemen. De logica van onderwerping – de logica die de sociale orde tracht op te leggen aan de uitgebuitenen – is de logica van passiviteit, van overgave aan het middelmatige bestaan dat deze orde biedt. Volgens deze logica is het leven iets dat ons overkomt, waar we simpelweg “het beste van maken”, een perspectief dat ons verslaat voordat we de strijd zijn begonnen.

Maar sommigen van ons branden met een energie die ons naar iets anders leidt. In ons branden lijden we nederlagen door elke vernedering die de huidige wereld ons opdringt. We kunnen niet opgeven, onze plaats accepteren en onszelf gelukkig prijzen dat het allemaal wel gaat. Bewogen tot beslissende actie door onze passie, tegen beter weten in gaan we het leven anders zien – of beter gezegd, gaan we anders leven.

Er bestaat een sociale realiteit. Die vervuilt de planeet met waren en controle, en legt overal een zielig en miserabel bestaan op van slavernij aan autoriteit en de markt. Beginnend vanuit een afwijzing van dit opgelegde bestaan, een beslissing om ertegen op te staan, staan we oog in oog met de noodzakelijkheid om onze eigen levens te scheppen voor onszelf, om ze te projecteren. We stellen onszelf een allermoeilijkste taak: de transformatie van onszelf, van onze verhoudingen en van het bestaan zelf. Deze transformaties staan niet op zichzelf, ze vormen een enkele taak – een levensprojectualiteit die zich richt op de vernietiging van de sociale orde – dat wil zeggen een insurrectionaire anarchistische projectualiteit.

Vandaag de dag zijn zovelen van ons zo voorzichtig, zo verontschuldigend, klaar om zelfs afstand te nemen van onze meest radicale en rebelse daden. Dit wijst erop dat we nog steeds niet hebben begrepen wat het betekent om onze levens projectueel te leven. Onze daden zijn nog steeds voorzichtig, niet vol van onszelf, maar licht ondernomen met een sterke neiging om terug te trekken bij het minste of geringste teken van risico of gevaar. In schril contrast hiermee vraagt de ontwikkeling van een anarchistische projectualiteit dat je je opgaat in wat je doet zonder je in te houden, zonder je inzetten te dekken. Niet dat dit opgaan ooit een beëindigd project is. Het is iets dat on beweging is, een spanning waar dag na dag mee geleefd moet worden, dag na dag mee geworsteld moet worden. Maar het is keer op keer bewezen dat dekken van je inzet net zo zeer een nederlaag brengt als overgave. Nu we deze verantwoordelijkheid voor ons leven hebben genomen, is er geen ruimte meer voor halve maatregelen. Het punt is om zonder maat te leven. Langere kettingen zijn nog steeds kettingen.

In Nietzsche lees je over amor fati. Het geheel tegenovergestelde van de fatale overgave die de logica van onderwerping eist, is amor fati die liefde voor het lot als een waardige tegenstander die je richting moedige daden beweegt. Het komt voort uit het wilsvolle zelfvertrouwen dat zich ontwikkelt in diegenen, die al hun inhoud stoppen in wat ze doen, zeggen of voelen. Hier smelt spijt weg terwijl je leert te handelen hoe jij dat wil; fouten, falen en nederlagen zijn geen tragedies, maar situaties waarvan je kunt leren en van waar je verder kunt bewegen in de levenslange spanning richting de vernietiging van alle grenzen.

In de ogen van de samenleving is elke afwijzing van haar orde een overtreding, maar dit opgaan in het leven beweegt opstand tot voorbij het niveau van overtreding. Op dit punt is de opstandige opgehouden slechts te reageren op de codes, regels en wetten van de samenleving en is ze gekomen tot het bepalen van haar daden op haar eigen voorwaarden, zonder inachtneming van de sociale orde. Voorbij tolerantie en alledaagse beleefdheid, klaar met tact en diplomatie, spreekt ze niet abstract over iets dat samenhangt met haar leven en haar interacties, maar geeft ze gewicht aan al haar worden. Dit komt door een afwijzing van oppervlakkigheid, een verlangen om op te gaan in de projecten die je hebt besloten te scheppen of de verhoudingen waar je hebt besloten deel van te zijn, om ze volledig in jezelf op te nemen, omdat dit de dingen zijn waarmee jij je leven creëert.

Net als revolutie zijn liefde, vriendschap en de grote verscheidenheid aan andere mogelijke verhoudingen niet momenten waarop je wacht, dingen die slechts gebeuren. Wanneer je jezelf herkent als iemand die agency heeft, als een individu dat kan doen en maken, houden deze dingen op wensen te zijn, phantomische verwachtingen die pijn doen in je binnenste; ze worden mogelijkheden waarheen je bewust, projectueel kan bewegen, met je wil. Die brandende energie die je richting opstand drijft is verlangen – verlangen dat los gebroken is van het kanaal dat het reduceerde tot slechts een verwachting. Dit zelfde verlangen dat je beweegt om je leven als een projectualiteit richting opstand, anarchie, vrijheid en vreugde te scheppen, roept ook de gewaarwording op dat zo een projectualiteit het best gebouwd kan worden op gedeelde projecten. Vrijgemaakt verlangen is een expansieve energie – een opening van mogelijkheden – en wil projecten en daden, vreugde en plezier, liefde en opstand delen. Een opstand van één is zeker mogelijk. Ik zou zelfs durven bepleitten dat het de noodzakelijke eerste stap is tot een gedeeld insurrectionair project. Maar een opstand van twee, drie, velen verhoogt de moed en vreugde en opent een veelvoud aan mogelijkheden.

Het moge duidelijk zijn dat de verschillende wijzen van verhouden die deze samenleving voor ons neerzet om in te vallen niet in staat zijn aan dit verlangen te voldoen. Lauwe “liefdes”-partnerschappen, “vriendschappen” gebaseerd op de camaraderie van wederzijdse vernedering en disrespectvolle tolerantie en de dagelijkse inhoudsloze ontmoetingen die de banaliteit van het overleven in stand houden – deze zijn allemaal gebaseerd op de logica van onderwerping, op het slechts accepteren van de middelmatigheid die deze realiteit die we moeten vernietigen ons biedt. Ze hebben niks van doen met een projectueel verlangen naar de ander.

De verhoudingen waar de beslissing om projectueel te leven als een revolutionair en een anarchist je heen beweegt zijn verhoudingen van affiniteit, van passie, van intensiteit, verscheidenheden van levende verhoudingen die je helpen je leven op te bouwen terwijl je bewogen wordt door verlangen. Het zijn verhoudingen met duidelijk gedefiniëerde anderen die affiniteit hebben met jouw manier van leven en zijn. Zulke verhoudingen moeten geschapen worden in een vloeiende en vitale manier, net zo dynamisch, veranderbaar en expansief als affiniteit en passie zelf zijn. Zo een expansief openen van mogelijkheden heeft geen plaats binnen de logica van onderwerping, en dat alleen maakt het al een waardig project voor anarchisten om na te jagen.

Vrije liefde

Omdat revolutionaire anarchisten van alle typen de vrijheid van elk individu om zelf te bepalen hoe ze op eigen voorwaarden willen leven erkenden als een centraal doel van anti-autoritaire revolutie, hebben we vaker en met meer moed gesproken over de transformatie van het persoonlijke leven, dat een deel moet zijn van elke echte revolutie. Daarom zijn vraagstukken omtrent de liefde en erotisch verlangen al heel vroeg openlijk bediscussiëerd in anarchistische kringen. Anarchisten waren één van de eersten die pleitten voor vrije liefde die in het huwelijk en de absurde seksuele verboden die door religieuze moraal waren opgelegd manieren zagen waarop onderwerping aan autoriteit werd afgedwongen. Vrouwen als Emma Goldman en Voltairine de Cleyre herkenden in de puriteinse moraal één van de grootste vijanden van de bevrijding van vrouwen in het bijzonder en de mensheid in het algemeen.

Maar de vrije liefde die door anarchisten wordt bepleit moet niet verward worden met het het vlakke hedonisme dat wordt uitgedragen door Playboy en andere voorstanders van verdingelijkte, tot product gemaakte, seksuele bevrijding. Dit laatste is slechts een reactie op het Puriteinse gedachtengoed binnen de huidige sociale context. Zijn gelijksoortige trouw aan de logica van onderwerping is duidelijk in zijn verdingelijking en tot object maken van seks, de afwijzende houding tegenover gepassioneerde liefde – omdat het niet gekwantificeerd en geprijsd kan worden – en de neiging om mensen te beoordelen op basis van seksuele bereidheid, prestatie en verovering. Liefde en erotisch verlangen die bevrijd zijn van de logica van onderwerping bevinden zich klaarblijkelijk ergens anders.

De strijd tegen de logica van onderwerping begint met de strijd van individuen om hun eigen levens te scheppen en verhoudingen die ze verlangen. In deze context betekent vrije liefde precies de vrijheid van de erotische verlangens van een individu van de sociale en morele restricties die ze kanaliseert in een paar specifieke vormen die nuttig zijn voor de samenleving, zodat ieder de manier kan scheppen waarop ze liefheeft zoals ze wenselijk acht in verhouding tot degenen die ze zou kunnen liefhebben. Zo een bevrijding opent de weg voor een ogenschijnlijke oneindige verscheidenheid aan mogelijke liefdesrelaties en erotische verhoudingen. De meeste mensen zouden slechts enkele van deze willen verkennen, maar het punt van zo een bevrijding is niet dat je zoveel mogelijk vormen van erotisch verlangen moet verkennen, maar dat je de mogelijkheid hebt om echt te kiezen en manieren van liefhebben te scheppen die je vreugde brengen, die je leven uitbreiden en je leiden naar een altijd toenemende intensiteit van leven en van opstandigheid.

Een van de meest in het oog springende obstakels waar we nu oog in oog mee staan is medelijden voor zwakte en neurose. Er zijn individuen die exact weten wat ze verlangen van elke potentiële liefdevolle ontmoeting, mensen die kunnen doen en reageren met een projectuele helderheid die slechts diegenen hebben die zich hun eigen passies en verlangens hebben toegeëigend. Maar wanneer deze individuen handelen in overeenstemming met hun verlangen en een ander die minder zeker van zichzelf is ongemakkelijk wordt of zich gekwetst voelt, worden zij geacht hun gedrag te veranderen om zich te voegen naar de zwakte van de ander. Daarom ziet het sterk willende individu, dat de inhoud van vrije liefde heeft weten aan te wenden en is begonnen het te leven, zich vaak onderdrukt en uitgesloten worden door haar eigen zogenaamde kameraden. Als onze doelen waarlijk bevrijding en de vernietiging van de logica van onderwerping in alle gebieden van het leven zijn, dan kunnen we hier niet aan toegeven. Het punt is om onszelf te veranderen in sterke, moedige, zelf-willende, gepassioneerde rebellen – en daarom ook in sterke, moedige, zelf-willende en gepassioneerde geliefden – en dit vraagt van ons dat we handelen zonder schuld, spijt of medelijden. Deze zelf-transformatie is een essentiëel aspect van de revolutionaire transformatie van de wereld, en we kunnen haar niet op een zijspoor laten zetten door een medelijden dat zowel degenen die medelijden toont, als degene die het ontvangt de grond in trapt. Medeleven – dat gevoel met een ander, omdat je de eigen omstandigheden herkent in de hunne – kan een prachtig en revolutionair gevoel zijn, maar medelijden – dat neerkijkt op het lijden van een ander en liefdadigheid en zelfopoffering biedt, is waardeloos in het scheppen van een wereld van sterke individuen die kunnen leven en liefhebben zoals ze zelf kiezen.

Maar een nog grotere blokkade voor een echte praktijk van vrije liefde en de open verkenning van de verscheidenheid aan mogelijke verhoudingen is dat de meeste mensen (zelfs de meeste anarchisten) zo weinig hebberig zijn voor, en daarom zo weinig vrijgevig zijn met, passie, intensiteit van gevoel, liefde, vreugde, haat, smart – alle vlammende pijlen van het echte leven. Werkelijk de ongebreideldheid van gepassioneerde intensiteit toestaan te bloeien en het na te jagen waar de krullende rank van verlangen het ook brengt – deze verkenning vraagt om wil, kracht en moed… maar vooral behoeft het dat je uit de economische visie op passies en emoties breekt. Het is slechts in het rijk van de economie – van goederen die te koop zijn – dat hebberigheid en vrijgevigheid elkaar tegenspreken. In het rijk van onverdingelijkte gevoelens, passies, verlangens, ideeën, gedachten en dromen, gaan hebberigheid en vrijgevigheid hand in hand. Hoe meer je deze dingen wilt hebben, hoe meer je expansief moet zijn in het delen ervan. Hoe vrijgeviger je ermee bent, des te meer zul je hebben. Het ligt in het wezen van deze dingen dat ze expansief zijn, dat ze ernaar streven alle horizonten te verbreden, dat ze meer en meer van de werkelijkheid tot zich nemen en haar transformeren.

Maar deze expansiviteit is niet zonder willekeur. Liefde en erotisch verlangen kunnen zich expansief openbaren op een grote verscheidenheid aan manieren, en individuen kiezen de manieren en de individuen met wie ze die willen verkennen. Het is echter niet logisch om deze beslissingen te nemen op basis van de ingebeelde kostbaarheid van iets dat, in feite, potentiëel voorbij de meetbaarheid ligt. Eerder zijn zulke beslissingen het beste gegrond in verlangen voor degenen met wie men zich wil verhouden en het potentiëel dat men in hen ziet om de vuren van passie steeds helderder te doen branden.

De mechanismen van erotisch verlangen – homoseksualiteit, heteroseksualiteit, biseksualiteit, monogamie, non-monogamie, etc. – zijn niet de inhoud van vrije liefde. Het kan zich openbaren in al deze vormen en meer, Haar inhoud vind je in degenen die ervoor kiezen zich uit te breiden, zichzelf te leiden om hun passies, dromen, verlangens en gedachten uit te breiden. Vrije liefde, net als revolutie, poogt de werkelijkheid naar eigen beeltenis te herscheppen, een beeltenis van een grootse en gevaarlijke utopie. Daarom streeft ze ernaar de werkelijkheid op zijn kop te zetten. Dit is geen gemakkelijke weg. Het kent geen plaats voor onze zwaktes, geen tijd voor neurotisch zelf-medelijden of terughoudendheid. Omdat liefde in haar meest gepassioneerde en onbegrensde vormen net zo medogenloos is als revolutie. Hoe kan het ook anders als haar doel hetzelfde is: de transformatie van elk aspect van het leven en de vernietiging van alles dat het tegenhoudt?

Gepassioneerde vriendschap

We leven in een wereld waarin de meerderheid van ontmoetingen en interacties betrekking hebben op werk en goederenuitwisseling. Met andere woorden, de dominante vormen van verhouden zijn economisch, gebaseerd op de overheersing van overleven over het leven. In zo een wereld is het geen verrassing dat het concept van vriendschap niet langer veel waarde heeft. Vandaag de dag bieden noch de dagelijkse interacties van je “gemeenschappen” (die vreemde, losstaande “gemeenschappen” van familie, school, werk), noch de toevallige ontmoetingen (op de markt, op de bus, bij een bepaald publiek gebeuren) veel kans om een echte en intense interesse in elkaar teweeg te brengen, een gepassioneerde nieuwsgierigheid om te ontdekken wie ze zijn en wat we met hen samen zouden kunnen maken. De rode draad die door deze niet bijster gevariëerde interacties en ontmoetingen heen loopt is dat ze hun oorsprong hebben in het opereren van overheersing en uitbuiting, in de sociale orde die onze levens verarmt en waaraan de meeste mensen zich klagend onderwerpen.

Het soort verhoudingen dat uit zo een situatie pleegt voort te komen zijn van het soort dat de vernedering en sociale verarming weerspiegelt die inherent zijn aan zo een situatie. Gebaseerd op de noodzakelijkheid om te ontsnappen aan de isolatie van een dichtbevolkte, maar geatomiseerde samenleving, ontwikkelt zich een algemene “vriendschappelijkheid” die slechts een greintje meer is dan gewone beleefdheid (omdat het onschadelijke, lichte spot toelaat en veilige, inhoudsloze flirts). Op basis van zo’n veralgemeende “vriendschappelijkheid” is het mogelijk om een aantal individuen te ontmoeten met wie je vaker samen kan zijn in jullie hopeloosheid – mensen met wie je een biertje drinkt in de kroeg, naar voetbalwedstrijden gaat of rockconcerten of een film huurt… En dit zijn je vrienden.

In werkelijkheid is het geen wonder dat wat vandaag de dag vriendschap genoemd wordt, zo vaak niets anders lijkt te zijn dan de camaraderie van wederzijdse vernedering en disrespectvolle tolerantie. Wanneer alles wat we werkelijk gemeen hebben onze gedeelde uitbuiting en slavernij aan goederenconsumptie is en onze verschillen vooral in onze sociale identiteiten liggen, die zelf voornamelijk gedefinieerd worden door onze banen.. de goederen die we kopen en ons nut voor degenen die over ons heersen, is er echt heel weinig dat trots, vreugde, verwondering en passie kan doen ontvlammen in onze zogenaamde vriendschappen. Als de diepe eenzaamheid van een massale, verdingelijkte samenleving ons naar anderen toe duwt, dan leidt het weinige dat onze verarmde wezens elkaar te bieden hebben al snel tot verachting. Hierom lijken op dit moment interacties tussen vrienden vooral overheerst te worden door komische plagerijen en verschillende vormen van gedrag waarbij één persoon in het middelpunt staat. Hoewel dit soort spel zeker plezierig kan zijn als onderdeel van een sterke verhouding gebaseerd op werkelijk wederzijds genieten, moet er wel iets aan schorten als het de belangrijkste manier van met elkaar omgaan wordt.

Sommigen van ons weigeren de oplegging van uitbuiting en overheersing. We streven ernaar om onze eigen levens te creëren en in dit proces verhoudingen te scheppen die ontsnappen aan de logica van onderwerping aan proletarisering en goederenconsumptie. Met onze eigen wil, herdefiniëren we onze gemeenschappelijkheden en onze verschillen, maken we ze duidelijk door de alchemie van strijd en opstand heen en baseren we ze op onze eigen passies en verlangens. Dit maakt de vorm die vriendschap in deze samenleving neigt aan te nemen compleet onhoudbaar: elkaar simpelweg tolereren uit eenzaamheid en die je vriend noemen – hoe zielig! Beginnend vanuit dat gevoel van trots dat ons bewoog te rebelleren, dat punt van zelfgenoegzame waardigheid die geen verdere vernedering tolereert, streven we ernaar onze vriendschappen te bouwen op de grootheid die we in elkaar ontdekken – verlangen, passie, verwondering die teweeggebracht worden door zowel datgene dat we gemeenschappelijk hebben als door datgene waarin we verschillen. Waarom zouden we minder verwachten van vriendschap dan we van erotische liefde verwachten? Waarom verwachten we zo weinig van beiden? Rebellie ontvlamt vuur in de harten van degenen die opstaan, en dit vuur roept om verhoudingen die branden: liefdes, vriendschappen, en, ja, zelfs haatsverhoudingen, die de intensiteit van de rebellie weerspiegelen. De grootste belediging die we een ander menselijk wezen kunnen aandoen is om ze slechts te tolereren, dus laat ons vriendschappen najagen met dezelfde intensiteit waarmee we liefde najagen, zodat de scheidslijnen vervagen en we onze eigen felle en beeldschone manieren van omgaan met elkaar scheppen, vrij van de logica van onderwerping aan middelmatigheid die wordt opgelegd door staat en kapitaal.

Haat

Nu we de beslissing hebben genomen om te weigeren gewoon te leven zoals deze samenleving eist, om ons te onderwerpen aan het bestaan dat ons is opgedrongen, moeten we ons in een positie brengen van permanent conflict met de sociale orde. Dit conflict zal zich in veel verschillende situaties openbaren, en de intense passies opwekken van degenen met een sterke wil. Net zoals we een volheid en intensiteit eisen van onze liefdes en vriendschappen, die deze samenleving poogt te onderdrukken, willen we ook alles van onszelf in onze conflicten brengen, vooral ons conflict met deze samenleving die diens vernietiging tot doel heeft, zodat we strijden met alle kracht die nodig is om ons doel te bereiken. Het is in het licht hiervan, als anarchisten, dat we het best de plaats van haat kunnen begrijpen.

De huidige sociale orde probeert alles te rationaliseren. Het vindt passie iets gevaarlijks en destructiefs, aangezien zo een intensiteit van gevoel natuurlijk tegengesteld is aan de koude logica van macht en winst. Er is geen plaats in deze samenleving voor gepassioneerde rede of het redelijke richten van passie. Wanneer het efficiënt functioneren van de machine de hoogste sociale waarde is, zijn zowel passie als levende, menselijke rede slecht voor de samenleving. Koude rationaliteit die gebaseerd is op een mechanische kijk op de realiteit is noodzakelijk voor het aanhouden van zo een waarde.

In dit licht zijn de campagnes tegen “haat”, die niet alleen door elke progressieve en elke reformist gepromoot worden, maar ook door de instituties van macht die aan de basis staan van de sociale ongelijkheden (als ik verwijs naar gelijkheid en ongelijkheid in dit artikel, heb ik het niet over “gelijkheid van rechten”, dat slechts een juridische abstractie is, maar over de concrete verschillen in toegang tot dat wat noodzakelijk is om de omstandigheden van je leven te bepalen) die vooroordelen inbedden in de structuur van deze samenleving, erg logisch, op een aantal niveaus. Door de pogingen om vooroordelen te bestrijden te richten op de passies van individuen, verblinden de structuren van overheersing veel goedbedoelende mensen met de vooroordelen die ingebouwd zijn in de instituties van deze samenleving, iets dat een noodzakelijk aspect is van zijn methode van uitbuiting. Hierom neemt de methode om vooroordelen te bestrijden een tweevoudige weg: proberen de harten van racistische, seksistische en homofobe individuen te veranderen en wetgeving bepleiten tegen een ongewenste passie. Niet alleen wordt de noodzaak van een revolutie om een sociale orde te vernietigen, die gebaseerd is op institutionele vooroordelen en structurele ongelijkheid, vergeten; de staat en de verschillende instituties via welke de staat zijn macht uitoefent worden versterkt, zodat ze “haat” kunnen onderdrukken. Hoewel vooroordelen in een gerationaliseerde vorm nuttig zijn voor het efficiënt functioneren van de sociale machine, vormt een individuele passie van teveel intensiteit, zelfs wanneer ze in de banen van vooroordelen wordt geleid, een gevaar voor het efficiënt functioneren van de sociale orde. Het is onvoorspelbaar, een punt waarop de controle afgebroken zou kunnen worden. Hierom, is het noodzakelijk dat het wordt onderdrukt en alleen wordt toegestaan zich uit te drukken via de kanalen die voorzichtig zijn geconstrueerd door de heersers van deze samenleving. Maar één van de aspecten van deze nadruk op “haat” – een individuele passie – en geen nadruk op de institutionele ongelijkheden, die het nuttigst is voor de staat, is dat het degenen die aan de macht zijn – en hun schoothondjes bij de media – toestaat de onredelijke en bevooroordeelde haat van witte racisten en potenrammers gelijk te stellen met de redelijke haat die de in opstand gekomen uitgebuitenen voelen voor de heersers van deze samenleving en hun lakeien. Hierom dient de onderdrukking van haat de belangen van sociale controle en houdt het de instituties van macht in stand, en dus de ongelijkheid die nodig is voor het functioneren van die macht.

Wij, die de vernietiging van macht verlangen, het einde van uitbuiting en overheersing, kunnen ons niet laten zwichten voor de rationalisaties van de progressieven, die slechts de belangen van de huidige heersers dienen. Nu we gekozen hebben onze uitbuiting en overheersing af te wijzen, om onze levens als de onzen te nemen in de strijd tegen de miserabele realiteit die ons is opgelegd, is het onafwendbaar dat we een verscheidenheid aan individuen, instituties en structuren confronteren, die in onze weg staan, ons actief tegenwerken – de staat, kapitaal, de heersers van deze orde en hun trouwe waakhonden, de verschillende systemen en instituties van controle en uitbuiting. Dit zijn onze vijanden en het is slechts redelijk dat we hen zouden haten. Het is de haat van de slaaf voor zijn meester – of, preciezer, de haat van de ontsnapte slaaf voor de wetten, de smeris, de “brave burgers”, de rechtbanken en instituties die hem willen opjagen en hem terug willen brengen naar zijn meester. En net als de passies van onze liefdes en vriendschappen, dient deze gepassioneerde haat ook gecultiveerd te worden en de onze te worden gemaakt, zijn energie geconcentreerd en gericht op de ontwikkeling van onze projecten van revolte en vernietiging.

Verlangend de scheppers te zijn van onze eigen levens en verhoudingen, te leven in een wereld waarin alles dat onze verlangens gevangen houdt en onze dromen onderdrukt verdwenen is, hebben we een immense taak te vervullen: de vernietiging van de huidige sociale orde. Haat tegen de vijand – tegen de heersende orde en iedereen die haar willens en wetens in stand houdt – is een stormachtige passie die een energie kan bieden voor deze taak en we doen er goed aan haar ter harte te nemen. Anarchistische insurrectionairen hebben een manier om het leven te bekijken en een revolutionair project via welk ze deze energie concentreren, zodat ze die met intelligentie en kracht kunnen richten. De logica van onderwerping eist de onderdrukking van alle passies en hun kanalisatie in gesentimentaliseerd consumentisme of gerationaliseerde ideologieën van vooroordeel. De intelligentie van revolte omarmt alle passies en vindt in hen niet slechts machtige wapens in de strijd tegen deze orde, maar ook de verwondering en vreugde van een leven dat ten volste wordt geleefd.

Realisme

“Wees realistisch: Eis het onmogelijke!”

Deze beroemde leus, die de muren van Parijs sierde in mei 1968, was werkelijk revolutionair in zijn tijd, zette elke nuchtere conceptie van realisme op zijn kop. Nu zijn artificiële, virtuele “werkelijkheden” sociale verhoudingen gaan overheersen. Het leven wordt niet zo zeer geleefd, maar bekeken en alles kan gezien worden met de nieuwe technologieën. Als we dit in ogenschouw nemen, is het geen verrassing dat een leus die ooit zo uitdagend was richting een gehele sociale orde nu een reclame-slogan is geworden. In het rijk van het virtuele is alles mogelijk voor een prijs. Alles, dat wil zeggen, behalve een wereld zonder prijzen, een wereld van echte, zelf-bepaalde, face-to-face verhoudingen, waarin je voor jezelf je bezigheden kiest en concreet handelt in de werkelijkheid van de wereld.

De spelen die ons samen met ons brood worden aangeboden, houden ons spektakels voor zoals nooit te voren. Exotische plekken, vreemde wezens met magische krachten, ongelooflijke explosies, gevechten en wonderen, allemaal worden ze ons aangeboden voor ons vermaak, terwijl ze ons vastgelijmd aan de stoel van de toeschouwer houden, onze activiteit beperkt tot af en toe op een knopje drukken – niet erg anders dan de primaire activiteit in een toenemend aantal banen. Dus “het onmogelijke” dat deze samenleving ons biedt is niets anders dan spectaculaire special effects op een scherm, terwijl de drug van virtualiteit ons verdooft voor de misere van de realiteit die ons omringt, waarin de mogelijkheden voor werkelijk leven de deuren sluiten.

Als we dit miserabele bestaan zullen gaan ontvluchten, moet onze opstand precies tegen de sociale realiteit in zijn totaliteit zijn. Realisme verwordt in deze context tot acceptatie. Wanneer je het vandaag de dag oprecht over revolutie hebt – over het sreven de bestaande realiteit omver te werpen om de mogelijkheid te openen van concrete, zelfbepaalde menselijke activiteit en individuele vrijheid – ben je onrealistisch, zelfs utopisch. Maar kunnen we genoegen nemen met minder om een einde te maken aan de huidge misere?

Meer en meer, oog in oog met de reus die beschaving heet, onze huidige sociale werkelijkheid, hoor ik veel radicalen zeggen, “Het is noodzakelijk om realistisch te zijn; ik doe gewoon wat ik kan in mijn eigen leven.” Dit is geen verklaring van een sterke individualiteit die zichzelf tot middelpunt maakt van een opstand tegen de wereld van overheersing en vervreemding, maar eerder een toegeven van overgave, een aftocht naar het wieden van je eigen tuintje, terwijl het monster op de loer blijft liggen. De “positieve” projecten die in naam van zo een soort realisme worden ontwikkeld zijn niets meer dan een alternatieve manier van overleven binnen de huidige samenleving. Niet alleen slagen ze er niet in een reële dreiging te vormen voor de wereld van het kapitaal en de staat; ze verslappen de druk op de machthebbers door vrijwillige sociale diensten aan te bieden onder het mom van het creëren van “tegen-instituties”. De huidige realiteit gebruikend als de plaats vanwaar ze de wereld bekijken, geven degenen die het niet kunnen helpen dat ze de revolutionaire vernietiging van deze werkelijkheid waarin we leven als onmogelijk en, daarom, als een gevaarlijk doel zien, zich over aan het in stand houden van een alternatief binnen de huidige realiteit.

Een meer activistische vorm van realisme bestaat ook. Het is gegrond in een perspectief dat de totaliteit van de huidige realiteit negeert en kiest om slechts de onderdelen te zien. Dus wordt de realiteit van vervreemding, overheersing en uitbuiting opgesplitst in categorieën van onderdrukking die apart bekeken worden, zoals racisme, seksisme, natuurvernietiging enzovoorts. Hoewel zo een soort catgorisering zeker nuttig kan zijn voor een begrip van de bijzonderheden van hoe de huidige sociale orde functioneert, neigt het mensen weg te houden van het observeren van het geheel, en staat het toe dat het linkse project van het ontwikkelen van specialisaties in specifieke vormen van onderdrukking zich voortbeweegt, terwijl ze ideologische methoden ontwikkelt om deze onderdrukkingen te verklaren. Deze ideologische kijk scheidt theorie van praktijk en leidt tot een verdere opsplitsing in speerpunten waarop men zich stort: gelijk loon voor vrouwen, de acceptatie van homo’s in het leger of op scouting, verdediging van een bepaalde wetland of een stuk bos, steeds verder en verder gaat de eindeloze ronde aan eisen. Wanneer dingen gesplitst zijn tot dit niveau, waar elke analyse van deze samenleving als geheel is verdwenen, bekijkt men wederom de dingen vanuit een plek binnen de huidige realiteit. Voor de activistische realist, beter bekend als de linksist, is resultaat de primaire waarde. Wat werkt is goed. Daarom wordt de nadruk gelegd op procesvoering, wetgeving, petitie bij de autoriteiten, onderhandelingen met degenen die ons overheersen, omdat dit resultaten oplevert – ten minste, als het resultaat dat je wilt slechts de verbetering van een bepaald probleem is of de assimilatie van een bepaalde groep of doel in de huidige orde. Maar zulke methoden zijn helemaal niet effectief vanuit een revolutionair anarchistisch perspectief, omdat ze gegrond zijn in acceptatie van de huidige realiteit, in het perspectief dat dit is wat er nu eenmaal is en we het daarom maar moeten gebruiken. En dat is het perspectief van de logica van onderwerping. Een omkering van perspectief is noodzakelijk om onszelf te bevrijden van deze logica.

Zo een omkering van perspectief vraagt om het vinden van een andere plaats van waaruit we de wereld kunnen bekijken, een andere positie van waaruit we kunnen handelen. Niet vertrekkend vanuit de wereld zoals ze is, zou je ervoor kunnen kiezen om te vertrekken vanuit de wil om je leven te grijpen als het jouwe. Deze beslissing brengt je onmiddelijk in conflict met de huidige realiteit, omdat hier de omstandigheden van het bestaan en, daarom, de keuzes met betrekking tot hoe je kan leven, al zijn bepaald door de heersende orde. Dit is zo gekomen omdat een paar mensen de controle kunnen overnemen over de omstandigheden van ieders bestaan – in ruil voor brood en spelen, overleving getooid met een beetje amusement. Hierom dient individuele opstand zich te bewapenen met een analyse van klasse die haar kritiek uitbreidt en een revolutionair perspectief opwekt. Als je ook de institutionele en technologische middelen, via welke de heersende klasse zijn controle in stand houdt, afdwingt en uitbreidt begint te begrijpen, neemt dit perspectief een sociale en luddistische (1) dimensie aan.

De logica van onderwerping zegt ons realistisch te zijn, ons te beperken tot de steeds vernauwende mogelijkheden die de huidige realiteit ons te bieden heeft. Maar wanneer deze werkelijkheid, in feite, richting de dood marcheert – naar de permanente ondergang van de menselijke geest en de vernietiging van de levende omgeving – is het dan werkelijk realistisch om “realistisch te zijn”? Als je van het leven houdt, als je wilt uitbreiden en wilt bloeien, is het absolute noodzaak dat je het verlangen bevrijdt van de kanalen die haar beperken, dat je het onze hoofden en harten met passie laat overstromen die de wildste dromen doet ontstaan. Dan moet je die dromen grijpen en er een wapen van smeden waarmee je deze werkelijkheid kunt aanvallen, een gepassioneerde rebelse rede die in staat is tot het formuleren van projecten die gericht zijn op de vernietiging van dat wat bestaat en de verwerkelijking van onze meest prachtige verlangens. Voor degenen van ons, die onze levens de onzen willen maken, zou genoegen nemen met minder dan dat onrealistisch zijn.

Voorbij feminisme, voorbij gender

Om een revolutie te scheppen die een eind kan maken aan alle overheersing, is het noodzakelijk een eind te maken aan de neiging die we allemaal hebben tot overgave. Dit vraagt van ons dat we de rollen die deze samenleving ons oplegt met een medogenloze en doordringende blik bekijken en hun zwakke punten zoeken, zodat we door hun beperkingen heen kunnen breken en er aan voorbij kunnen gaan.

Seksualiteit is een essentiële uitdrukking van individueel verlangen en passie, van de vlam die zowel liefde als opstand kan doen ontbranden. Daarom kan het een belangrijke kracht van de wil van een individu zijn, die haar kan doen opstaan voorbij de massa als een uniek en onoverheersbaar wezen. Gender (2), aan de andere kant, is een werktuig dat gebouwd is door de sociale orde om deze seksuele energie in te perken, vast te zetten en te limiteren, gericht op de reproductie van deze orde van overheersing en onderwerping. Hierom is het een blokkade voor een poging om vrijelijk te bepalen hoe je wilt leven en jezelf wilt verhouden. Toch hebben mannen tot nu toe meer ruimte gekregen in het uitoefenen van hun wil binnen deze rollen dan vrouwen, een redelijke verklaring voor het feit dat de meeste anarchisten, revolutionairen en outlaws mannen waren. Vrouwen die sterke, rebelse individuen waren, waren dat omdat ze zich voorbij hun vrouwelijkheid hebben bewogen.

Het is jammer dat de vrouwenbevrijdingsbeweging die opkwam in de jaren ’60 er niet in slaagde een diepe analyse te ontwikkelen van het wezen van overheersing in zijn totaliteit en van de rol die gender speelt in haar reproductie. Een beweging die begonnen is vanuit een verlangen om vrij te zijn van alle genderrollen zodat ze volle, zelfbepaalde individuen konden worden werd getransformeerd in een specialisatie, net als de meeste andere deelstrijden van die tijd. Dit garandeerde dat een totale analyse niet mogelijk zou zijn binnen deze context.

Dit specialisme is het feminisme van de huidige tijd, dat zich in de late jaren ’60 begon te ontwikkelen uit de vrouwenbevrijdingsbeweging. Het streeft niet zozeer naar de bevrijding van individuele vrouwen van de beperkingen van hun genderrollen, dan naar de bevrijding van “de vrouw” als een sociale categorie. Binnen de mainstream politiek, bestaat dit project uit het verwerven van rechten, erkenning en bescherming voor de vrouw als een wettelijk erkende sociale categorie. In theorie beweegt het radicale feminisme zich voorbij de wettelijkheden met het streven de vrouw als sociale categorie te bevrijden van mannelijke overheersing. Aangezien mannelijke overheersing niet nauwkeurig genoeg wordt verkend als een aspect van totale overheersing, zelfs niet door anarcha-feministen, neemt de rhetoriek van het radicale feminisme vaak een stijl aan die lijkt op die van nationale bevrijdingsbewegingen. Maar ondanks de verschillen in stijl en rhetoriek, zijn de praktijk van mainstream feminisme en radicaal feminisme vaak hetzelfde. Dit is niet toevallig.

De specialisatie van radicaal feminisme ligt in werkelijkheid in het catalogiseren van leed dat vrouwen te lijden hebben van mannen. Wanneer deze catalogus ooit voltooid zou worden, zou de specialisering niet meer nodig zijn en zou het tijd worden om je voorbij het neerpennen van geleden leed te bewegen naar een werkelijke poging om het wezen van vrouwenonderdrukking binnen deze samenleving te analyseren en echte, uitgedachte actie te ondernemen om het te beëindigen. Het voortbestaan van deze specialisatie verlangt dat feministen deze catalogus tot in het oneindige uitbreiden, zelfs tot het punt dat ze de onderdrukkende daden van vrouwen in machtsfuncties verklaren als uitdrukking van patriarchale macht, waarmee ze deze vrouwen verlossen van verantwoordelijkheid voor hun daden. Elke serieuze analyse van de complexe machtsverhoudingen zoals die er zijn wordt ter zijde gelegd voor een ideologie waarin de man overheerst en de vrouw het slachtoffer van zijn overheersing is. Maar het scheppen van je identiteit op basis van je onderdrukking, op basis van het slachtofferschap dat je te verduren hebt gehad, biedt geen kracht of onafhankelijkheid. In plaats daarvan schept het een noodzaak voor bescherming en beveiliging, die het verlangen voor vrijheid en zelfbeschikking overwoekert. Op het theoretische en psychologische niveau, kan een abstracte, universele “zusterschap” deze behoefte bevredigen, maar om een basis te bieden voor deze zusterschap, wordt de “vrouwelijke mystiek”, die in de jaren ’60 was ontmaskerd als cultureel construct dat de mannelijke overheersing ondersteunde, nieuw leven ingeblazen in de vorm van vrouwenspiritualiteit, godinnenreligie en een verscheidenheid aan andere feministische ideologieën. De poging om de vrouw te bevrijden als sociale categorie bereikt zijn apotheose in de herschepping van de vrouwelijke genderrol in naam van een afstandelijke gendersolidariteit. Het feit dat veel radicale feministen zich op praktisch niveau ter bescherming bogen naar de smeris, rechtbanken en andere staatsprogramma’s (en hierin het mainstream feminisme nadeden) dient slechts ter onderstreping van het illusoire wezen van de “zusterschap” die ze uitdragen. Hoewel er pogingen zijn geweest om binnen de context van het feminisme door deze beperkingen heen te breken, is deze specialisatie al dertig jaar haar belangrijkste kwaliteit. In de vormen waarin het is uitgeoefend, heeft het gefaald een revolutionaire uitdaging te bieden aan zowel gender als overheersing. Het anarchistisch project van totale bevrijding vraagt van ons dat we ons voorbij deze beperkingen bewegen naar het punt waarop we gender zelf zullen aanvallen, zodat we complete wezens kunnen worden, niet gedefiniëerd als samenvoeging van sociale identiteiten, maar als unieke, volledige individuen.

Het is zowel een cliché als een fout om vol te houden dat mannen en vrouwen evenveel zijn onderdrukt door hun genderrollen. De mannelijke genderrol laat nu eenmaal meer ruimte toe voor de uitoefening van je wil. Dus net als dat de bevrijding van vrouwen van hun genderrol niet een kwestie is van mannelijker worden, maar eerder een van hun vrouwelijkheid voorbij gaan, is het voor mannen een punt niet meer vrouwelijk te worden, maar voorbij gaan aan hun mannelijkheid. Het punt is de kern van het unieke dat in elk van ons zit te ontdekken dat voorbij alle sociale rollen is en dat het punt te maken van waaruit we handelen, leven en denken in de wereld, in het seksuele domein, en alle anderen. Gender scheidt seksualiteit van het geheel van ons wezen, omdat het er specifieke eigenschappen aan koppelt, die het voortbestaan van de huidige sociale orde dienen. Daarom wordt seksuele energie, die een geweldig revolutionair potentiëel zou kunnen hebben, gekanaliseerd in de reproductie van verhoudingen van overheersing en onderwerping, van afhankelijkheid en hopeloosheid. Het seksuele verdriet, die het heeft geproduceerd en de commerciële uitbuiting ervan omringen ons. De onvolledigheid van het oproepen van mensen om “zowel hun mannelijkheid als hun vrouwelijkheid te omarmen” ligt in het ontbreken van analyse tot het punt waarop beide concepten sociale uitvindingen zijn die de doelen van de macht dienen. Hierom is het veranderen van de genderrollen, het veranderen van hun aantal of het bijschaven van hun vorm, nutteloos vanuit een revolutionair perspectief, omdat dit niets meer is dan het mechanisch bijstellen van de vorm van de werktuigen die onze seksuele energie kanaliseren. In plaats daarvan, dienen we onze seksuele energie weer de onze te maken, zodat we haar in de totaliteit van ons wezen kunnen opnemen, zodat we zo expansief en machtig kunnen worden, opdat we elk werktuig kunnen afbreken en het landschap van het bestaan kunnen doen overstromen met ons onoverheersbare wezen. Dit is geen therapeutische taak, maar eerder een van rebelse opstand – één die ontspruit aan een sterke wil en een weigering om op te geven. Als het ons verlangen is om alle overheersing te vernietigen, dan is het noodzakelijk dat we voorbij gaan aan alles dat ons tegenhoudt, voorbij het feminisme, ja, en voorbij gender, omdat dit de plek is waar we de gave vinden om onze onoverheersbare individualiteit te kunnen scheppen die zonder aarzelen opstaat tegen alle overheersing. Als we de logica van onderwerping willen vernietigen, moet dit ons minimumdoel zijn.

Beveiligingscultuur en expansief leven

Het leven vandaag is veel te klein. Gedwongen in rollen en verhoudingen die de huidige sociale orde reproduceren, richt het zich op het kleine, op datgene dat gemeten, geprijsd, gekocht en verkocht kan worden. Het magere bestaan van winkeliers en beviligers is overal afgedwongen en echt leven, expansief leven, leven zonder andere beperkingen dan onze eigen capaciteiten bestaat alleen in opstand tegen deze samenleving. Dus degenen van ons die een expansief bestaan willen, een leven dat ten volste wordt geleefd, worden bewogen actie te ondernemen, om de instituties aan te vallen die ons tot zulke kleine levens veroordelen.

Bewogen tot het terug nemen van onze levens en ze te maken tot bronnen van het prachtige, stuiten we onvermijdelijk op repressie. Elke dag opereren er verborgen mechanismen van repressie om opstand te voorkomen, om onderwerping te garanderen die de sociale orde in stand houdt. De noodzakelijkheden voor overleving, het onderliggende bewustzijn altijd in de gaten gehouden te worden, de berg verboden die de ogen raken op borden of in de persoon van de smeris, de structuur van de sociale omgevingen waarin we ons bewegen, deze zijn genoeg om de meeste mensen in het gelid te houden, ogen naar de grond, hoofden leeg van alles, behalve de kleine zorgen van de dag. Maar wanneer je klaar bent met dit verarmde bestaan en besluit dat er meer moet zijn, dat je geen andere dag kunt verdragen waarin het leven zelfs nog meer vermindert, verliest de repressie zijn subtiliteit. De vonk van opstand moet onderdrukt worden; de instandhouding van de sociale orde verlangt dat.

De expansie van het leven kan niet plaats vinden als je onderduikt – dat zou gewoon een verandering zijn van cellen binnen de sociale gevangenis. Maar omdat deze expansie, deze spanning richting vrijheid, ons beweegt tot het aanvallen van deze sociale orde, tot het ondernemen van actie die buiten de door haar geschreven en ongeschreven wetten staat en hier vaak tegenin gaat, worden we gedwongen om te gaan met de vraag hoe we de geüniformeerde waakhonden van de heersende klasse uit de weg gaan. Dus we kunnen de veiligheidskwestie niet negeren.

Ik heb de veiligheidskwestie altijd als een simpele beschouwd, een zaak van praktische intelligentie die iedereen zou kunnen uitdokteren. Door verhoudingen van affiniteit te ontwikkelen, besluit je met wie je kunt handelen. Er is geen noodzaak een enkel woord te zeggen over een actie tegen iemand die daar niet bij betrokken is. Dit is de basis en is overduidelijk voor iedereen die tot actie tegen overheersing besluit. Maar zulke praktische intelligentie hoeft zich niet te hullen in een sfeer van wantrouwen en geheimzinnigheid, waar elk woord en elke gedachte in de gaten moet worden gehouden, waarin zelfs de woorden van rebellie al als te groot risico gezien worden. Als onze praktijk daarheen leidt, hebben we al verloren.

Binnen de context van illegale activiteit is veiligheid essentiëel. Maar zelfs binnen deze context, is het niet de hoogste prioriteit. Onze hoogste prioriteit is altijd de schepping van levens en verhoudingen die we verlangen, het openen van de mogelijkheid tot de volheid van het bestaan, die het syteem van overheersing en uitbuiting niet kan toestaan. Degenen van ons die werkelijk zo een expansief bestaan verlangen willen dat uitdrukken in al onze daden.

In dit licht komt de roep om de ontwikkeling van een “veiligheidscultuur” me vreemd voor. Toen ik de term voor het eerst hoorde, was mijn eerste gedachte: “Dat is precies de soort cultuur waarin we leven!” De smeris en camera’s op elke hoek en in elke winkel, de toenemende hoeveelheden identificatiekaarten en interacties die hun gebruik behoeven, de verscheidene wapensystemen die worden geïnstalleerd voor nationale veiligheid, enzovoorts – de cultuur van veiligheid omsingelt ons, en het is dezelfde als de cultuur van repressie. Dit is, als anarchisten, zeker niet wat we willen.

Veel van de praktische suggesties die voorgesteld worden door de aanhangers van een veiligheidscultuur zijn vanzelfsprekend voor iemand die actie onderneemt tegen de instituies van overheersing. Het is overduidelijk dat je geen bewijs moet achterlaten of met de politie moet praten, dat je de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen moet treffen om arrestatie te voorkomen – een situatie die zeerzeker je strijd voor een vol vrij leven niet zal verbeteren. Maar het is niet zinnig om van een veiligheidscultuur te spreken. De voorzichtigheid die nodig is om arestatie te voorkomen weerspiegelt niet het soort levens en verhoudingen dat we willen opbouwen. Ik hoop het tenminste niet.

Wanneer anarchisten veiligheid gaan zien als hun hoogste prioriteit – als een “cultuur” die ze moeten ontwikkelen – gaat paranoia de verhoudingen overnemen. Anarchistische conferenties worden opgezet met niveaus van bureaucratie en (laten we de dingen benoemen voor wat ze zijn) politieagenterij die te erg parallel loopt met datgene dat we proberen te vernietigen. Verdenking vervangt kameraadschap en solidariteit. Als iemand er niet goed uitziet of zich verkeerd kleed, wordt ze verbannen, uitgesloten van deelname. Iets dat vitaal is, is hier verloren gegaan – de reden voor onze strijd. Die is verdwenen achter de harde wapenrusting van de militantie, en we zijn verworden tot het spiegelbeeld van onze vijand.

De anarchistische strijd valt in deze vreugdeloze, paranoïde rechtlijnigheid, wanneer ze niet wordt uitgevoerd als een poging om het leven anders, vreugdevol, intens te scheppen, maar wordt behandeld als een doel waaraan je jezelf dient op te offeren. Je strijd wordt dan moreel, niet een kwestie van verlangen, maar van waar en onwaar, goed en kwaad, gezien als absoluut en kenbaar. Hier is de bron van veel van de rechtlijnigheid, veel van de paranoia en veel van het ongewenste gevoel van eigendunk dat je te vaak vind binnen anarchistische kringen. Wij zijn de rechtgeaarde strijders die aan alle kanten worden omsingeld door de kwade krachten. We moeten onszelf beschermen tegen elke kans op besmetting. En het persoonlijkheidspantser verhardt en ondermijnt de vreugdevolle geest die de moed bied, die noodzakelijk is voor de vernietiging van de wereld van overheersing.

Deze vernietiging, de vernieling van de sociale gevangenis die ons omringt, zou ons oog in oog brengen met het onbekende. Als we het confronteren met angst en wantrouwen, zullen we zelf de nieuwe gevangenissen bouwen. Sommigen zijn al gebouwd, in hun hoofden en in hun projecten. Hierom moeten onze projecten van aanval hun oorsprong vinden in en uitgevoerd worden met vreugde en een expansieve vrijgevigheid van geest. De logica van paranoia en angst, de logica van wantrouwen met haar gemeten woorden en daden, is de logica van onderwerping – als het niet aan de huidige orde van overheersing is, dan is het wel aan de moraliteit die onze levens vermindert en garandeert dat we de moed niet zullen hebben om het onbekende in de ogen te staren, om oog in oog te staan met de wereld waarin we zouden leven als de huidige orde vernietigd zou worden. Laten we in plaats daarvan de gepassioneerde rede van verlangen omarmen die alle overheersing afwijst. Deze rede is bloedserieus in haar verlangen alles dat het leven vermindert, het beperkt tot dat wat gemeten kan worden, te vernietigen. En omdat ze zo serieus is, lacht ze.

Opstand, geen therapie

Toen de situationistische idee dat revolutie therapeutisch zou zijn haar weg vond naar de Engelse taal, opende ze een doos van Pandora van onbegrip. Het is me duidelijk dat de situationisten ernaar verwezen dat een ware revolutionaire breuk de sociale dwangbuizen zou afbreken, die ten grondslag liggen aan veel van wat als “geestesziekte” en “emotionele gestoordheid” wordt gezien, en mensen zou bevrijden, zodat ze hun eigen betekenissen en methoden van denken en voelen zouden kunnen ontdekken. Maar velen hebben dit concept anders begrepen en namen aan dat het betekende dat revolutie iets zou zijn als een ontmoetingsgroep, een hulpsessie of psychologische “zelfhulp”-activiteit. Oneindig zelfonderzoek, beschamend biechten, het gros van ondersteuningsgroepen, schuilplaatsen en al wat erop lijkt, worden begrepen als “revolutionaire” activiteit. En veel zogenaamde revolutionairen neigen, conform zo’n praktijk, de emotioneel manke neuroten te worden die ze aannamen te zijn, zoekend naar een revolutionair genezen dat nooit zal komen, omdat deze aangenomen rol inherent zichzelf reproduceert en, daarom ook, de samenleving die hem produceert. Wat er ontbreekt aan deze therapeutische conceptie van revolutie is opstand.

De vernietiging van de sociale orde, die de bevrijding van onszelf van alle overheersing en uitbuiting, van elke beperking van de volle ontwikkeling van onze enkelheid, als doel heeft, heeft zeker een analyse nodig van hoe onze levens, onze passies, onze verlangens en dromen van ons zijn vervreemd, hoe onze hoofden tot een bepaalde manier van redeneren zijn beperkt, hoe we geoefend zijn in het volgen van de logica van onderwerping. Maar zo een analyse moet een sociale analyse zijn, geen psychoanalyse. Ze moet een beschouwing zijn van de sociale instituties, rollen en verhoudingen die de omstandigheden vormen waarin we worden gedwongen te bestaan.

Neem deze vergelijking. Als iemand haar been heeft gebroken, moet ze het natuurlijk proberen te genezen, gips of een spalk nemen en een kruk zoeken. Maar als de rede waarom ze moeite heeft met lopen is dat iemand een bal met een ketting aan haar been heeft gelegd, dan is de eerste prioriteit het doorzagen van die ketting en daarna, om te garanderen dat het niet meer zal gebeuren, het vernietigen van de bron van die ketting.

Door het accepteren van het idee (dat hevig wordt gepromoot door progressief onderwijs en progressieve publiciteit) dat de structuren van onderdrukking in feite houdingen zijn in onszelf, raken we gericht op onze aangenomen zwakte, op hoe kreupel we zogenaamd zijn. Onze tijd wordt opgegeten door pogingen tot zelfgenezing die nooit ophouden, omdat we zo gericht zijn geraakt op onszelf en ons onvermogen om te lopen, en de ketting aan ons been ons niet opvalt. Deze eindeloze cyclus van zelfanalyse is niet alleen vervelend en zelfgenoegzaam; het is ook geheel nutteloos voor het scheppen van een revolutionair project, omdat het sociale analyse in de weg staat en ons transformeert in minder capabele individuen.

De therapeutische aanpak van sociale onderdrukking leidt tot het focussen op een verscheidenheid aan “ismes” waarmee we zijn geïnfecteerd: racisme, seksisme, klassisme, etatisme, authoritarisme, validisme, agisme, etc., etc. Omdat de eerste twee een erg ware en duidelijke uitdrukking geven aan het verschil tussen psychoanalyse en sociale analyse, tussen de aanpak van therapie en die van opstand, zal ik ze kort beschouwen. Als we racisme en seksisme en het gedrag dat beide voortbrengen, waarvan we, wat de kern betreft, niet altijd op de hoogte zijn, als feitelijk onbewuste houdingen zien, worden we gedreven tot een praktijk van constante zelf-beschouwing, constante twijfel aan onszelf, die ons effectief onklaar maakt, vooral in ons vermogen om met elkaar te kunnen omgaan. Racisme en seksime worden iets nevelachtigs, een doordringend virus dat iedereen infecteert. Als je het ongeluk hebt “wit” en “man” te zijn (zelfs wanneer je bewust alle sociale beperkingen en definities achter zulke stempels afwijst), dan wordt er van je verwacht het oordeel van “niet-witten” en “vrouwen” te accepteren wat betreft de betekenis, de “ware” onbewuste drijfveren van je daden. Als je dit niet doet is het arrogantie, een ontbreken van beschouwing en een gebruik van “privilege”. De enige uitkomst die ik kan zien in zo een manier van omgaan met deze zaken (en het is zeker de enige uitkomst die ik ooit heb gezien) is het ontstaan van een groepje verlegen, maar onderzoekende muizen, die om elkaar heen dansen uit angst om veroordeeld te worden, en die net zo onbekwaam zijn in het aanvallen van de fundamenten van deze samenleving als ze zijn in het zich verhouden tot elkaar.

Als we racisme en seksisme zien als uitdrukkingen van de sociale ideologische constructen van ras en gender, die specifieke institutionele fundamenten hebben, is een geheel andere aanpak van toepassing. Het concept van ras, zoals het vandaag de dag hier in Noord-Amerika wordt begrepen, heeft haar oorsprong in de instituties van slavernij van zwarten en de genocide op de oorspronkelijke bewoners van dit continent. Eenmaal gevormd door deze instituties, wortelde het zich in alle machtsstructuren op het één of andere niveau, door zijn nut voor de heersende klasse, en werd het naar beneden gedruppeld, naar de uitgebuite klassen als middel om hen te scheiden en hen met elkaar te laten vechten. Seksisme kent zijn oorsprong in de instituties van bezit, huwelijk en de familie. Hier hebben patriarchaat en mannelijke overheersing hun zetel. Binnen dit raamwerk wordt gender gecreëerd als een sociaal construct en, net als met ras, is het het voortdurend nut van dit construct voor de heersende klasse hetgene dat het op zijn plaats heeft gehouden, ondanks de toenemende overduidelijke absurditeit van de instituties die aan haar ten grondslag liggen. Daarom moet de vernietiging van racisme en seksisme beginnen met het uitgesproken revolutionaire project van de vernietiging van de institutionele raamwerken, die de huidige basis vormen voor de constructen van ras en gender. Zo een project is er niet een van therapie, maar een van opstand. Dit zal niet worden uitgevoerd door verlegen, om elkaar heen dansende muizen – noch door inquisiteurs – maar door in zich zelf vertrouwende, onoverheersbare rebellen.

Ik zal hier niet ingaan op de absurditeit van zulke termen als klassisme of etatisme, omdat dit niet mijn doel is. Mijn doel is te laten zien dat, hoewel revolutionaire strijd, inderdaad, het therapeutisch effect kan hebben de sociale beperkingen af te breken en dus de geest te openen voor nieuwe manieren van denken en voelen die je intelligenter en gepassioneerder maken, dit precies is omdat het geen therapie is, dat zich richt op je zwakte, maar een zelfbepaald project van opstand dat ontspruit aan je kracht.

Vrijheid behoort toe aan het individu – dit is een standaard anarchistisch principe – en ligt daarom in de individuele verantwoordelijkheid naar jezelf en in vrije associatie met anderen. Daarom kunnen er geen plichten, geen schulden zijn, alleen keuzes van hoe te handelen. De therapeutische aanpak van sociale problemen is het geheel tegenovergestelde hiervan. Zichzelf funderend in de idee dat we kreupel geslagen zijn en niet geketend, inherent zwak en niet onderdrukt, legt het een verplichte afhankelijkheid op, een wederkerigheid van onvermogen, en geen delen van krachten en vaardigheden. Hierin is ze parallel aan de officiële manier van omgaan met deze problemen. En geen wonder. Het is het wezen van zwakte om zich te onderwerpen. Als we allemaal onze eigen zwakte aannemen, onze voortdurende interne infectie door deze verscheidene sociale ziektes, dan zullen we doorgaan met het voeden van een onderdanige manier van omgaan met de wereld, altijd klaar om schuld te bekennen, om ons te verontschuldigen, om terug te komen op wat we hebben gezegd of gedaan. Dit is het geheel tegenovergestelde van verantwoordelijkheid, die bewust handelt met de zekerheid van je projectuele aanpak van het leven, klaar om de consequenties van je keuzes te aanvaarden – de outlaw die haar overtreding waardig is.

Oog in oog met tienduizend jaren van institutionele onderdrukking, tienduizend jaar waarin een heersende klasse en de structuren die zijn macht ondersteunen de omstandigheden van ons bestaan hebben bepaald, is het niet therapie dat we nodig hebben, maar sterk gewilde opstand die gericht is op het ontwikkelen van een revolutionair project dat deze samenleving en haar instituties kan vernietigen.

Geen intellectualisme, noch domheid

In de strijd tegen overheersing en uitbuiting, moet elk individu elk werktuig dat ze zich eigen kan maken oppakken, elk wapen dat ze op autonome wijze kan gebruiken om deze samenleving aan te vallen en om haar eigen leven terug te nemen. Natuurlijk hangt het af welke werktuigen bepaalde individuen kunnen gebruiken van hun omstandigheden, verlangens, capaciteiten en aspiraties, maar gezien de kansen die we in het gezicht staren, is het belachelijk om een wapen te weigeren dat gebruikt kan worden zonder autonomie te compromitteren op basis van ideologische concepties.

De opkomst van de beschaving waarin we leven met zijn instituties van overheersing is gebaseerd op de arbeidsdeling, het proces waardoor de handelingen die noodzakelijk zijn om te leven getransformeerd worden in gespecialiseerde rollen voor de reproductie van de samenleving. Zulke specialisaties dienen ter ondermijning van autonomie en herbevestigen autoriteit, omdat het bepaalde werktuigen – bepaalde aspecten van een compleet individu – afneemt van de grote meerderheid en ze in de handen drukt van een paar zogenaamde experts.

Een van de meest fundamentele specialisaties is degene, die de rol van de intellectueel, de specialist in het gebruik van intelligentie, heeft geschapen. Maar de intellectueel wordt niet zozeer bepaald door intelligentie, maar eerder door onderwijs. In dit tijdperk van industriëel hoogkapitalisme, heeft de heersende klasse weinig nut voor de volle ontwikkeling en uitoefening van intelligentie. Integendeel behoeft het expertise, de scheiding van kennis in nauwe domeinen die slechts verbonden zijn in hun onderwerping aan de logica van de huidige orde – de logica van winst en macht. Daarom is de “intelligentie” van de intellectueel een misvormde, gefragmenteerde intelligentie met bijna geen mogelijkheid tot het leggen van verbindingen, het begrijpen van verhoudingen of het inzicht krijgen in (laat staan het uitdagen van) totaliteiten.

De specialisatie die de intellectueel schept, is in feite onderdeel van het process van verdomming dat de heersende orde oplegt aan degenen die overheerst worden. Voor de intellectueel is kennis niet de kwalitatieve mogelijkheid tot het begrijpen, analyseren en redeneren over de eigen ervaring of het gebruiken van het streven van anderen om zo een begrip te bereiken. De kennis van intellectuelen is compleet afgesneden van wijsheid, dat gezien wordt als curieus anachronisme. Eerder is het de capaciteit voor het onthouden van onsamenhangende feiten, stukjes informatie, dat nu als “kennis” gezien wordt. Alleen zo een degradatie van de conceptie van intelligentie kan mensen toelaten te praten over de mogelijkheid tot “kunstmatige intelligentie” in verhouding tot die eenheden die informatie opslaan en vrijgeven, die we computers noemen.

Als we intellectualisme begrijpen als de degradatie van intelligentie, dan kunnen we erkennen dat de strijd tegen intellectualisme niet bestaat uit de weigering van de capaciteiten van de geest, maar eerder uit de weigering van een misvormende specialisatie. Historisch hebben radicale bewegingen veel voorbeelden gegeven van de praktijk van deze strijd. Renzo Novatore was de zoon van een boer die slechts zes maanden naar school is geweest. Maar hij bestudeerde de werken van Nietzsche, Stirner, Marx, Hegel, filosofen uit de oudheid, geschiedkundigen en dichters, alle anarchistische schrijvers en degenen die betrokken waren in de verschillende nieuw opkomende kunstzinnige en literaire bewegingen van zijn tijd. Hij was een actieve deelnemer aan anarchistische debatten over theorie en praktijk, en ook aan debatten in radicale kunstzinnige bewegingen. En hij deed dit alles in de context van een intense, actieve insurrectionaire praktijk. Op dezelfde manier beschrijft Bartolemeo Vanzetti, die in zijn vroege adolescentie als leerling, vaak voor lange uren, aan het werk ging, in zijn korte autobiografie hoe hij een goed deel van zijn nachten doorbracht met het lezen van filosofie, geschiedenis, radicale theroie en zo voorts, om deze werktuigen tot zich te nemen die de heersende klasse hem wilde ontzeggen. Het was deze dorst om de werktuigen van de geest tot zich te nemen die hem bracht tot zijn anarchistisch perspectief. In de late 19e eeuw in Florida, dwongen sigarenmakers hun bazen voorlezers aan te nemen om hen voor te lezen terwijl ze werkten. Deze voorlezers lazen de werken van Bakunin, Marx en andere radicale theoretici voor aan de arbeiders, die daarna bediscussieerden wat er was voorgelezen. En in de vroege 20e eeuw zetten radicale hobo’s en hun vrienden “hobo colleges” op, waar een wijde verscheidenheid aan sprekers spraken over sociale kwesties, filosofie, revolutionaire theorie en praktijk, zelfs wetenschap of geschiedenis, en de hobo’s bediscussieerden deze kwesties. In elk van deze gevallen zien we de weigering van de uitgebuitenen om zich te de werktuigen van de intelligentie te laten afnemen. En zoals ik het zie, is dit precies het wezen van een ware strijd tegen intellectualisme. Het is niet het ophemelen van onwetendheid, maar een rebelse afwijzing van het onteigend worden van je mogelijkheid tot leren, denken en begrijpen.

De degradatie van intelligentie die intellectualisme schept, komt overeen met de degradatie van de capaciteit tot redeneren, die zich uit in de ontwikkeling van het rationalisme. Rationalisme is de ideologie die claimt dat kennis vanuit de rede alleen tot stand komt. Daarom wordt rede gescheiden van ervaring, van passie, en daarom van het leven. De theoretische formulering van deze scheiding kan herleid worden tot de filosofie van het oude Griekenland. Al in dit oude commerciële imperium, verkondigden de filosofen de noodzaak tot het onderwerpen van verlangens en passies aan een koude, ongepassioneerde rede. Natuurlijk promootte deze koude rede matiging – in andere woorden, de acceptatie van wat is.

Sindsdien (en waarschijnlijk veel eerder aangezien er goedontwikkelde staten en keizerrijken waren in Perzië, China en India toen Griekenland nog uit met elkaar oorlogvoerende stad-staten bestond), heeft het rationalisme een enorme rol gespeeld in het afdwingen van overheersing. Sinds de opkomst van de kapitalistische sociale orde, is het proces van rationalisering over de hele wereld in het geheel van de samenleving verspreid. Het is daarom begrijpelijk dat sommige anarchisten zich tegen rationaliteit zijn gaan keren.

Maar dat is slechts reactie. Wanneer je het van dichterbij bekijkt, wordt het duidelijk dat de rationalisering die opgelegd wordt door de machthebbers tot een specifieke soort behoort. Het is de kwantitatieve rationaliteit van de economie, de rationaliteit van identiteit en meetbaarheid, de rationaliteit die tegelijkertijd alle dingen en wezens gelijk maakt en atomiseert, en geen verhoudingen erkent behalve die van de markt. En net als intellectualisme een misvorming is van intelligentie, is deze kwantitatieve rationaliteit een misvorming van de rede, omdat het een rede is die gescheiden is van het leven, een rede gebaseerd op reïficatie (3).

Hoewel de heersenden deze misvormde rationaliteit opleggen aan sociale verhoudingen, promoten ze onredelijkheid onder degenen die ze uitbuiten. In de kranten en bladen, op televisie, in video- en computerspelletjes, in de films… door de massamedia heen kunnen we religie, bijgeloof, geloof in het onbwijsbare en hoop in of angst voor het zogenaamde bovennatuurlijke wezen opgelegd zien worden en skepticisme behandeld zien worden als een koude en ongepassioneerde afwijzing van verwondering. Het is in het voordeel van de heersende orde dat degenen die hij uitbuit onwetend zijn, met een beperkte en afnemende capaciteit tot communiceren met elkaar over iets dat van belang is of om hun situatie, de sociale verhoudingen waarin ze zich bevinden en de dingen die in de wereld aan de gang zijn te analyseren. Het proces van verdomming beïnvloedt geheugen, taal en de capaciteit om verhoudingen tussen mensen, dingen en gebeurtenissen te begrijpen op een dieperliggend nieveau, en dit proces dringt ook door in de gebieden die als intellectueel worden beschouwd. Het onvermogen van post-moderne theorieën om welke totaliteit dan ook te kunnen begrijpen kan makkelijk herleid worden tot deze misvorming van intelligentie.

Het is niet genoeg om je tegen de misvormde rationaliteit te keren die door deze samenleving wordt opgelegd; we moeten ons ook tegen de verdomming en onredelijkheid keren die door de heersende klasse aan de rest van ons wordt opgelegd. Deze strijd vraagt de toeëigening van onze capaciteit om te denken, te redeneren, onze omstandigheden te analyseren en hun complexiteiten te communiceren. Ze vraagt ook dat we deze capaciteit integreren met de totaliteit van onze levens, onze passies, onze verlangens en onze dromen.

De filosofen van het oude Griekenland logen. En de ideologieën die de ideeën voortbrengen, die overheersing en uitbuiting ondersteunen zijn verder gegaan met het verkondigen van dezelfde leugen: dat het tegenovergestelde van intelligentie passie is. Deze leugen heeft een essentiële rol gespeeld in de instandhouding van overheersing. Het heeft een misvormde intelligentie geschapen die afhankelijk is van kwantitatieve, economische rationaliteit, en het heeft de capaciteit van de meeste uitgebuitenen en uitgeslotenen doen afnemen om hun toestand te begrijpen en hier op intelligente wijze tegen te vechten. Maar in feite is het tegenovergestelde van passie niet intelligentie, maar onverschilligheid, en het tegenovergestelde van intelligentie is niet passie, maar domheid.

Omdat ik oprecht een einde wil maken aan alle overheersing en uitbuiting en wil beginnen met het openen van de mogelijkheden tot het scheppen van een wereld waarin er noch uitgebuitenen, noch uitbuiters zijn, slaven noch meesters, kies ik ervoor om het geheel van mijn intelligentie gepassioneerd tot me te nemen, en gebruik ik elk mentale wapen – samen met de fysieke wapens – om de huidige sociale orde aan te vallen. Ik verontschuldig me hier niet voor, noch zal ik het opdienen aan degenen die uit luiheid of ideologische conceptie van de intellectuele grenzen van de uitgebuitte klassen hun intelligentie weigeren te gebruiken. Het is niet slechts een revolutionair anarchistisch project dat op het spel staat in deze strijd; het is mijn compleetheid als individu en de volheid van het leven dat ik verlang.

De subversie van het bestaan

Het verlangen om de wereld te veranderen blijft slechts een abstract ideaal of een politiek programma, tenzij het verandert in de wil om je eigen bestaan te transformeren. De logica van onderwerping legt zichzelf op op het niveau van het dagelijks leven en biedt duizenden redenenen om jezelf over te geven aan de overheersing van overleving over leven. Dus zonder een bewust project van opstand en transformatie op dit niveau, blijven alle pogingen tot het veranderen van de wereld slechts cosmetisch – verband leggen op gangreneuze zweren.

Zonder een intentionele projectualiteit tot vrijheid en opstand in het hier en nu verliezen een verscheidenheid aan potentiëel waardevolle projecten – de bezetting van verlaten terreinen, het delen van gratis voedsel, de publicatie van een tweemaandelijks anarchistisch tijdschrift, sabotage, piratenzenders, demonstraties, aanvallen tegen de instituties van overheersing – hun betekenis, en worden ze slechts ditjes en datjes in een verwarde en verwarrende wereld. Het is de bewuste keuze om het leven toe te eigenen in rebellie tegen de huidige realiteit die deze activiteiten van revolutionaire betekenis kan voorzien, omdat dit de verbinding biedt tussen de verschillende activiteiten die een opstandig leven vormen.

Het maken van zo een beslissing daagt ons uit om uit te zoeken hoe dit praktisch te realiseren, en zo een realisatie is niet slechts een kwestie van onszelf betrekken in een verscheidenheid aan projecten van actie. Het betekent ook, en veel essentiëler, het scheppen van je leven als een spanning richting vrijheid, die daarom een context biedt voor de acties die we ondernemen, een basis voor analyse. Verder brengt zo een beslissing onze opstand voorbij het politieke. Het bewuste verlangen naar totale vrijheid behoeft een transformatie van onszelf en onze verhoudingen in de context van revolutionaire strijd. Het wordt noodzakelijk om je hierin niet slechts in deze en die activiteit te haasten, maar om al die werktuigen aan te grijpen en te leren gebruiken, die we ons toe kunnen eigenen en kunnen gebruiken tegen het huidige bestaan, gebaseerd op overheersing, in het bijzonder analyses van de wereld en onze activiteit daarin, verhoudingen van affiniteit en een onoverheersbare geest. Het wordt ook noodzakelijk om die werktuigen van sociale verandering te herkennen en resoluut te vermijden, die ons door de huidige orde worden aangeboden, die slechts de logica van overheersing en onderwerping kunnen herbevestiging – delegatie, onderhandeling, petitie, evangelisme, het creëren van mediabeelden van onszelf, en zo voorts. Deze laatste werktuigen herbevestigen hiërarchie, afscheiding en afhankelijkheid van de machtsstructuur – hetgeen precies de rede is waarom ze ons voor gebruik in onze strijden worden aangeboden. Wanneer je je wend tot deze werktuigen, degenereren opstand en vrijheid tot slechts een politiek programma.

Analyse die niet ontspringt aan je verlangen om hier en nu het leven toe te eigenen neigt naar herbevestiging van overheersing, omdat het ofwel zonder grond blijft, of zich richt op een ideologie of politiek programma als zijn basis. Een groot deel van wat vandaag de dag doorgaat voor sociale analyse behoort tot het eerste domein. Zonder grond van waaruit ze hun kritiek kunnen maken, neigen degenen die deze weg volgen in een eindeloze ronde van deconstructie te vallen, die uiteindelijk concludeert dat overheersing overal en nergens is, dat vrijheid onmogelijk is en dat we, hierom, er slechts het beste van moeten maken, of via conformisme of via de vooropgezette oppositionele spelletjes van groepen als tute bianche (de beroemde “witte overallen”), die er niet op uit zijn ook maar iets uit te dagen. Het is te beargumenteren dat dit helemaal geen analyse is, maar een excuus om ware analyse te vermijden en daarmee concrete opstand.

Maar de weg van politieke ideologie en programma’s is niet meer van nut voor het project van subversie.Omdat dit project de transformatie is van het bestaan op een manier die alle overheersing en uitbuiting vernietigt, is het inherent anti-politiek. Vrijheid is, als politiek concept, ofwel slechts een lege leus die gericht is op het winnen van de goedkeuring van de overheersten (die Amerikaanse “vrijheid”waarvoor Bush vecht middels het bombarderen van Afghanistan en steeds repressievere wetten invoert) of slechts een van de uiteinden van een continuüm met overheersing. Vrijheid en overheersing worden kwantitatief – kwesties van gradatie – en de eerste wordt vermeerdert door het verminderen van de laatste. Het is precies zo een manier van denken die Kropotkin ertoe bewoog de Geallieerden te steunen in de eerste wereldoorlog en die de basis biedt voor elk reformistisch project. Maar als vrijheid niet slechts een kwestie is van gradaties van overheersing – als grotere kooien en langere kettingen geen grotere vrijheid inhouden, maar slechts de verschijning van grotere mobiliteit binnen de context van verdergaande slavernij aan de heersers van deze orde – dan worden alle politieke programma’s en ideologieën nutteloos voor ons project. In plaats daarvan dienen we ons tot onszelf en onze verlangens te wenden – onze verlangens naar een kwalitatief ander bestaan. En het vertrekpunt voor de transformatie die we nastreven wordt ons leven en onze verhoudingen. Het is hier dat we beginnen met het ondermijnen van de logica van onderwerping met de vernietiging van alle overheersing als doel. Dan zijn onze analyses van de wereld gericht op het bereiken van een begrip van hoe onze eigen strijd te voeren in de wereld en het vinden van punten van solidariteit (waar we onze strijd zien in die van anderen) om de strijd tegen overheersing te verspreiden, niet om in ideologische termen een interpretatie van de wereld te scheppen. En onze analyses van onze activiteiten zijn gericht op het bepalen van hun nut voor het bereiken van onze aspiraties, niet op het conformeren van onze acties aan welk programma dan ook.

Als ons doel de transformatie van het bestaan is, dan is de ontwikkeling van verhoudingen van affiniteit niet slechts een tactische zet. Het is de poging om verhoudingen van vrijheid te ontwikkelen binnen de context van strijd. Verhouding van vrijheid ontwikkelen zich door een diepe en steeds toenemende kennis van de ander – een kennis van hun ideeën, hun aspiraties, hun verlangens, hun capaciteiten, hun neigingen. Het is een kennis van overeenkomsten, ja, maar belangrijker, is het een kennis van verschillen, omdat het op het punt van verschil is dat ware praktische kennis begint, de kennis van of en hoe je projecten kan uitvoeren en met elkaar leven kunt scheppen. Het is hierom dat het onder onszelf – en in onze verhouding met datgene waar we tegen strijden – noodzakelijk is de praktijk van compromis en de constante zoektocht naar gedeelde grond te vermijden. Deze praktijken zijn, uiteindelijk, het hart en de ziel van de democratische vorm van overheersing die vandaag de dag in de wereld heerst, en zijn daarom uitdrukkingen van de logica van onderwerping die we moeten wegvagen uit onze verhoudingen. Valse eenheden zijn zeker een groter nadeel voor de ontwikkeling van een insurrectionair project dan echte conflicten, waardoor individuele intelligentie en creatieve verbeelding op prachtige wijze tot bloei kunnen komen. Het compromis van waaruit valse eenheden zich ontwikkelen is zelf een teken van onderwerping van het insurrectionaire project aan het politieke.

Eenheden die voort zijn gebracht door compromis zijn, in feite, het geheel tegenovergestelde van affiniteit, omdat ze ontspringen aan een onderdrukking van kennis van jezelf en van de ander. Hierom behoeven ze de schepping van formele processen van besluitname die de zaden dragen van bureaucratische methodologie. Waar er ware kennis is van de anderen met wie je een project uitvoert, is formele consensus niet nodig. Het bewustzijn dat iedereen van de individualiteit van de anderen heeft schept een basis waar besluit en actie niet gescheiden hoeven te zijn. Dit is een nieuwe vorm van socialiteit die in het hier en nu in het leven kan worden geroepen in de strijd tegen de orde van overheersing, een vorm van socialiteit die gegrond is in het volle genieten van de enkelheid van elk individu, van het prachtige verschil dat ieder van ons in zich draagt.

Op basis van deze verhoudingen van affiniteit, kunnen ware projecten die de verlangens en doelen van de betrokken individuen weerspiegelen zich ontwikkelen, anders dan slechts een gevoel dat je iets moet doen. Of het project nu een kraakpand, het delen van gratis voedsel, een daad van sabotage, een piratenzender, een tijdschrift, een demonstratie, of een aanval op een van de instituties van overheersing is, het zal niet begonnen worden als een politieke plicht, maar als onderdeel van het leven dat je nastreeft te scheppen, als een bloeien van je zelfbepaalde bestaan. En het is dan, en alleen dan, dat haar subversieve en insurrectionaire potentiëel tot bloei komt. Als vreugde en verwondering, en een beeldschoon, onoverheersbaar bestaan zijn wat we willen, dan moeten we dit hier en nu proberen te bereiken in rebelse opstand tegen alle overheersing, de logica van onderwerping wegvangend uit onze levens, onze verhoudingen en onze revolutionaire strijd – voor de vernietiging van politiek en de schepping van een onmetelijk leven.


(1) Luddisme refereert naar de Luddites (Nederlands: Luddieten) die begin 19e eeuw opkwamen, voornamelijk uit de klasse van textielarbeiders. Door de technologische vooruitgang raakten veel textielarbeiders hun baan kwijt. De Luddites protesteerden hiertegen door massaal machines te vernietigen. Tegenwoordig geeft luddisme of neo-luddisme een houding aan van wantrouwen tegen “technologische vooruitgang”, die volgens het luddisme een negatieve invloed heeft op de mensheid.

(2) Ik heb het Engelse woord “gender” overgenomen in de vertaling, in plaats van het te vervangen door “geslacht” of “sekse”, omdat er in de Engelse taal en in kritische theorieën omtrent dit onderwerp een verschil wordt gemaakt tussen “sex” (sekse, geslacht) en “gender”, en waarbij “gender” meestal wordt gebruikt om het sociale construct aan te duiden dat om sekse heen is gebouwd. Aangezien we in ons taalgebied zo’n term niet kennen, heb ik “gender” gebruikt.

(3) Reïficatie is het process waarin een levende verhouding/relatie verandert in een levenloos object, dat een plaats inneemt boven de werkelijke, levende verhoudingen.

Noot van de vertaler

Ik heb geprobeerd onderstaande tekst naar de letter te vertalen, zodat alle liefde en passie die door de schrijver in de originele tekst is gestopt, tot hun recht komen in de vertaling ervan. Sommige woorden zijn lastig te vertalen, zoals “defiance” en aanverwante woorden, die ik meestal met “rebellie” en aanverwante woorden heb vertaald, aangezien de letterlijke vertaling, “tarting” me wat ouderwets en enigszins onbegrijpelijk leek. “Insurrection” en aanverwante woorden heb ik nu eens met “opstand”, dan weer met “insurrectie” vertaald. Een andere vertaling van hetzelfde woord is “oproer”, dat ik niet gebruikt heb. Wellicht is er discussie nodig aan welk(e) woord(en) we in de Nederlandse context de voorkeur zouden moeten geven. Hoewel ik heb gestreefd naar een letterlijke vertaling, heb ik ook gestreefd naar een begrijpelijke vertaling, zodat ook mensen die niet op de hoogte zijn van het jargon deze tekst kunnen lezen. Wat in de originele tekst schuingedrukt stond, heb ik laten staan. Onvertaalbare Engelse woorden heb ik schuingedrukt in de Nederlandse vertaling overgenomen. Ik heb ook een aantal noten toegevoegd bij een aantal termen, die wat mij betreft om opheldering vroegen.

G.K.

Advertenties